Hoe ontstaat onweer.
Onweersbuien ontstaan wanneer de onderste lagen van de atmosfeer warmer en
vochtiger worden, terwijl de bovenlucht kouder wordt. Dit komt in Nederland
vooral voor in de zomer, met name aan het einde van een warme dag, als er koude
lucht binnenstroomt. Wanneer de druppels in de bovenlucht bevriezen, ontstaan
ijskristallen. Hierbij worden de positieve en negatieve lading gescheiden. Men
vermoedt dat de buitenkant van een druppel positief wordt en tijdens het
uitzetten wegspringt. De overgebleven kern, die negatief is, wordt mee naar
boven gevoerd door de opwaartse stroming in de wolk. Zo ontstaat in de bovenste
laag van de wolk een negatief gebied en in de onderste laag een positief gebied.
Als het spanningsverschil groot genoeg is, vindt er een ontlading plaats tussen
de twee gebieden. We kunnen dat zien aan het oplichten van een wolk, het
zogenaamde weerlicht. Omdat de aarde ook positief is, kan er eveneens een
ontlading plaatsvinden tussen de negatieve bovenlaag van de wolk en de aarde. De
bliksem gaat door een zogenaamd bliksemkanaal.

In dit kanaal kunnen verschillende ontladingen plaatsvinden. Bij elke
ontlading wordt de lucht in het kanaal door de hoge temperatuur uitgezet en
direct daarna weer samengeperst. Dit veroorzaakt geluidsgolven die we kennen als
donder. Omdat er verschillende ontladingen plaatsvinden, kan dit leiden tot een
langgerekte knal of langdurig gerommel. Ook ontladingen in verschillende kanalen
kunnen leiden tot dit fenomeen. Het rollen van de donder ontstaat door
weerkaatsingen van het geluid. Omdat licht sneller gaat dan geluid, volgt de
donder altijd na de bliksem. Hoe dichter iemand zich bij de bliksem bevindt, des
te sneller zal hij het geluid van de donder horen. Als vuistregel geldt dat elke
drie seconden tussen bliksem en donder een afstand inhoudt van één kilometer.
|